Gebruikmaken van het lerend vermogen van het afweersysteem

Het afweersysteem beschermt ons tegen ziekmakende bacteriën en virussen. Bij een infectie leert het verworven afweersysteem een ziekteverwekker herkennen en kan zo bij een volgende infectie met dezelfde ziekteverwekker sneller en beter reageren. Dit lerend vermogen van het afweersysteem vormt de basis voor vaccinatie. Door het afweersysteem kennis te laten maken met een verzwakte of onschadelijke vorm van de ziekteverwekker in de vorm van een vaccin, is het afweersysteem beter voorbereid bij een echte infectie.

Vaccins hebben een enorme invloed op het voorkomen van ziekten. Het meest duidelijk is dat bij polio. Net als in de rest van de westerse wereld waren er vroeger in Nederland regelmatig uitbraken van polio. De laatste grote uitbraak was in 1956. Vanaf 1957 werden kinderen gevaccineerd, waarna nog maar enkele kleine uitbraken volgden in gemeenschappen met een lage vaccinatiegraad. Door wereldwijde vaccinatieprogramma’s is polio nu zelfs bijna uitgeroeid. Als het lukt polio geheel uit te roeien is het na pokken de tweede ziekte die door vaccinatie de wereld uit gaat.

In 1957 werd al gevaccineerd tegen difterie, tetanus en kinkhoest. In 1974 volgde het rodehondvaccin (rubella) voor meisjes en twee jaar later werd mazelenvaccinatie toegevoegd. In de decennia die volgden zijn vaccinaties tegen de bof, Haemophilus influenzae type b (Hib), meningokokken, pneumokokken, hepatitis B en HPV (humaan papilloma virus) toegevoegd aan het programma. In 2018 is besloten het programma verder uit te breiden met rotavirusvaccinatie voor jonge kinderen die extra kwetsbaar zijn en kinkhoestvaccinatie voor zwangere vrouwen ter bescherming van pasgeborenen. HPV-vaccinatie voor jongens wordt nog overwogen.

Groepsbescherming

Door alle kinderen in Nederland de vaccinaties gratis aan te bieden via de jeugdgezondheidszorg wordt al jaren een hoge vaccinatiegraad bereikt. Hoe meer kinderen gevaccineerd zijn, hoe minder de ziekteverwekkers de kans krijgen zich te verspreiden. Hierdoor beschermen vaccins bij een hoge vaccinatiegraad niet alleen degenen die gevaccineerd zijn, maar ook degenen die niet of onvoldoende gevaccineerd zijn. Dit betreft niet alleen degenen die vaccinatie weigeren, maar ook zij die te jong zijn voor vaccinatie, of patiënten die door ziekte of gebruik van afweeronderdrukkende geneesmiddelen een onvoldoende afweerreactie kunnen oproepen. Dit wordt groepsbescherming genoemd. Hierdoor komen ziekten als difterie en rodehond vrijwel niet meer voor. Het is heel belangrijk dat genoeg kinderen gevaccineerd worden, want bij een te lage vaccinatiegraad bestaat de kans dat er opnieuw uitbraken ontstaan.

Alle landen van de wereld hebben vaccinatieprogramma’s vergelijkbaar met Nederland. In Nederland beslist de minister van Volksgezondheid welke vaccins in het programma worden opgenomen. De minister laat zich hiertoe adviseren door de Gezondheidsraad.

2 01
Ouders komen met hun baby bij het consultatiebureau voor controle en inentingen.
Rijksoverheid

Vaccins vallen voor de regelgeving onder de geneesmiddelen en moeten aan strenge eisen voldoen voordat ze gebruikt mogen worden. Zij worden net als nieuwe geneesmiddelen gecontroleerd door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en het Europese Geneesmiddelenagentschap (EMA). Ook tijdens gebruik moeten vaccins goed bewaakt worden. Dit gebeurt door bij te houden hoe vaak welke bijwerkingen optreden en hoe vaak sprake is van infecties, wat kan duiden op onvoldoende werkzaamheid van vaccins.

Hoe werkt een vaccin?

Bij vaccinatie worden verzwakte ziekteverwekkers of stukjes van ziekteverwekkers, antigenen genoemd, in het lichaam gebracht. Meestal gebeurt dit door een injectie. Sommige vaccins (zoals levend verzwakt poliovaccin en rotavirusvaccin) worden via de mond ingenomen, zodat in de darm, waar het eerste contact met de ziekteverwekker plaatsvindt, een afweerreactie wordt opgeroepen die vooral in het slijmvlies actief is.

Wanneer de antigenen in het lichaam komen, zullen ze als lichaamsvreemd en ongewenst worden herkend door dendritische en fagocyterende cellen van het afweersysteem. Deze cellen bevinden zich overal in het lichaam. Na opname van deze antigenen presenteren de cellen deze stukjes ziekteverwekker vervolgens aan andere afweercellen in de lymfeklieren: de B- en T-cellen. Afhankelijk van het type antigeen en hulpstof worden B- en/of T-cellen geactiveerd.

Een opeenvolging van reacties zorgt voor de aanmaak van specifieke antistoffen door gespecialiseerde B-cellen (plasmacellen) en voor B-geheugencellen. De gespecialiseerde B-cellen kunnen verschillende klassen antistoffen (immuunglobulinen; Ig) produceren: IgM, IgG, IgA, IgD en IgE. De B-geheugencellen kunnen na een nieuw contact met het antigeen snel delen en als gespecialiseerde B-cellen grote hoeveelheden IgG produceren.

De vaccins van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) ontlenen hun werking voornamelijk aan de productie van antistoffen via deze B-cel gestuurde immuniteit. De antistoffen zorgen er voor dat een ziekteverwekker onschadelijk wordt gemaakt door óf de structuur van het micro-organisme kapot te maken, óf te zorgen dat het micro-organisme bindt aan afweercellen die het vervolgens vernietigen, óf te zorgen dat het micro-organisme geen kwaad meer kan doen. De antistoffen schermen in het laatste geval de structuren op het micro-organisme af, waardoor het niet langer kan hechten aan zijn of haar favoriete lichaamscel.

De antistoffen worden geproduceerd door lang­levende B-cellen in het beenmerg. Deze kunnen jarenlang (soms levenslang) zorgen voor voldoende antistoffen, zoals bij mazelen. Daarnaast zijn er geprogrammeerde B-geheugencellen die direct tot antistofproductie overgaan als ze in aanraking komen met het antigeen. Deze zijn van belang bij de bescherming tegen bijvoorbeeld hepatitis B. Vaker vaccineren met voldoende tijd tussen de vaccinaties leidt tot verdere specialisatie en vermenigvuldiging van deze B-geheugencellen en een steeds betere bescherming tegen de ziekteverwekkers.

Rijksvaccinatieprogramma

Bijna alle vaccins in het Rijksvaccinatieprogramma bestaan uit dode geïnactiveerde vaccins, met uitzondering van BMR-vaccin, dat levende verzwakte virussen bevat.

Het BMR-vaccin bevat bof-, mazelen- en rodehondvirussen die zodanig zijn verzwakt dat ze geen ziekte kunnen veroorzaken, maar zich wel kunnen vermenigvuldigen. Ongeveer een week na de vaccinatie zorgt het toenemend aantal virussen voor een goede afweerreactie. Doordat de virussen verschillende antigenen bevatten en zich door het hele lichaam verspreiden, lijkt de afweerreactie op die van een echte infectie. Deze drie-in-een-vaccinatie slaat meestal (95 procent) meteen aan. Om iedereen goed te beschermen wordt deze vaccinatie twee keer aangeboden. Daarna is meer dan 99 procent van de gevaccineerde kinderen beschermd.

Geïnactiveerde dode vaccins bestaan uit stukjes van micro-organismen. Deze kunnen zich niet vermenigvuldigen en hebben vaak hulpstoffen (adjuvantia) nodig om een goede afweerreactie uit te lokken. Door het toevoegen van aluminiumzouten, de meest gebruikte hulpstoffen, wordt op de plaats van vaccinatie een ontstekingsreactie opgewekt. Deze reactie zorgt ervoor dat de juiste afweercellen naar de antigenen toekomen, waarna de afweerreactie wordt opgestart.

De immuniteit die opgebouwd wordt door het difterie- en tetanusvaccin richt zich niet tegen de bacterie zelf, maar tegen de ziekmakende stoffen die door deze bacteriën worden geproduceerd. Het vaccin bestaat uit onwerkzaam gemaakte varianten van deze stoffen. Bescherming kan alleen worden gegarandeerd bij voldoende antistofproductie door langlevende geactiveerde B-cellen (plasmacellen). Door regelmatig herhalen van de vaccinatie (boostering), bijvoorbeeld om de tien jaar, wordt de antistofproductie op peil gehouden.

Welke vaccinaties krijgt mijn kind
Het Rijksvaccinatieprogramma.
Jos van den Broek, Leiden

Het vaccinatieschema

Alle ziekten waartegen gevaccineerd wordt, kunnen gepaard gaan met complicaties waarvoor ziekenhuisopname nodig is, met soms blijvende handicaps tot gevolg en sporadisch zelfs met overlijden. Deze ziekten zijn niet op een andere manier goed te voorkomen. Het schema van het Rijksvaccinatieprogramma is zodanig samengesteld dat met zo min mogelijk vaccinaties tijdig optimale bescherming tegen de meest gevaarlijke infectieziekten wordt opgebouwd.

Het afweersysteem van een pasgeborene werkt al goed, maar is nog wel in ontwikkeling. Sommige vaccins werken direct na de geboorte, zoals het vaccin tegen hepatitis B. Voor andere vaccins geldt dat de antistoffen van de moeder die voor de geboorte door de placenta naar het kind zijn gegaan, de afweerreactie beïnvloeden. Daarom wordt bijvoorbeeld BMR-vaccinatie pas na 14 maanden gegeven. Dan zijn de antistoffen van de moeder verdwenen.

De meeste vaccinaties worden gegeven voordat een kind twee jaar is, enkele worden herhaald bij 4 en 9 jaar. HPV-vaccinatie wordt gegeven op de leeftijd dat besmetting met het HPV-virus nog niet heeft plaatsgevonden, dus voordat jongeren seksueel actief worden. Eenmalige herhaling is nodig voor opbouw van langdurige bescherming.

Suikerkapsel

Een specifiek probleem bij jonge kinderen zijn antigenen die uit suikerketens of polysachariden bestaan, het zogenaamde suikerkapsel van bacteriën. Deze suikerketens wekken pas op latere leeftijd een goede afweerreactie en immunologisch geheugen op. Wanneer een suikerketen wordt gekoppeld aan een eiwitketen wordt wel al vanaf jonge leeftijd een goede reactie opgewekt. Deze ’truc’ wordt toegepast in de vaccins tegen meningokokken, Hib en pneumokokken.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, en hoort bij het thema Ziekten voorkomen op Biotechnologie.nl.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, sommige rechten voorbehouden