Voor of tegen gentech-gewassen? Dit moet je weten

Meer, voedzamer voedsel op minder landbouwgrond. En passant blijft er zo nog ruimte over voor gewassen waar je biobrandstoffen of -plastics uit kunt halen. Daar een bijdrage aan te leveren is de belofte van biotechnologen. Maar veel mensen vinden genetisch aangepaste planten maar een eng idee, en dat vinden we al twintig jaar. Is dat terecht?

Wat moet je doen om zo veel mogelijk maïs van je land te halen? Boeren wisten dat al ver voor de jaartelling: onkruid wieden, vogels en knaagdieren op afstand houden om vraat aan je akker tegen te gaan, goed water geven, een beetje mest zo nu en dan. Het veldje niet te vaak beplanten, maar ook eens een jaar overslaan.

En mais zaaien uit kolven die al lekker vol waren. Hoewel we vijfduizend jaar geleden niet precies wisten hoe het kwam, waren we er al wel uit dat als we planten met een hoge opbrengst gebruikte voor nieuw zaaigoed, dan kwam dat het volgende seizoen ook wel goed. Kortom, veredeling ‘avant le lettre’.

Romantisch boeren

Veredeling van landbouwgewassen gaat tegenwoordig een stuk gerichter. Planten met specifieke gewenste eigenschappen worden met elkaar gekruist met als doel dat de nakomelingen van die planten een combinatie van die eigenschappen hebben.

Planten zijn er van nature op uit om niet gegeten te worden. Dus ik kan je ten zeerste ontraden om wilde planten te eten.
Michel Haring

“Het ziet er organisch uit, maar eigenlijk is ons eten tegenwoordig hoog-technologisch”, zegt techniekfilosoof Julia Rijssenbeek van FreedomLab. “Eten is emotioneel. We willen graag het gevoel hebben dat het kleinschalig is geteeld en dat het puur natuur is wat we naar binnen krijgen, maar het beeld dat we van boerderijen hebben, is veel te romantisch. In de moderne tijd zien we juist het tegenovergestelde: heel veel van die natuurlijke processen waar we ons zo goed bij voelen, zijn grotendeels artificieel.”

Zo’n lekkere verse appel, dat is dus eigenlijk een technologisch hoogstandje. Dat is maar goed ook, vindt Michel Haring, hoogleraar plantfysiologie aan de Universiteit van Amsterdam. “Planten zijn er van nature op uit om niet gegeten te worden. Dus ik kan je ten zeerste ontraden om wilde planten te eten. Je gaat er misschien niet dood van, maar we hebben in de loop der eeuwen ons best gedaan ze zo eetbaar en lekker mogelijk te maken. Dus maak daar gebruik van.”

Aardappelziekte: een kostbaar probleem

Een eigenschap betekent genetisch gezien dat in het DNA een code ligt opgeslagen voor een eiwit dat zorgt voor die eigenschap. Al dat kruisen van planten (of fokken bij dieren) is erom te doen dat nakomelingen stukjes DNA meekrijgen dat zorgt voor de aanmaak van de beste eiwitten. De afgelopen 35 jaar lukt het steeds beter om die stukjes DNA ook naar believen uit andere organismen met de gewenste eigenschap te halen, en in het DNA te plakken van het organisme dat je wilt aanpassen.

3 01a
Francine Govers (WUR)

Op die manier ontwikkelde de Wageningen University & Research een aardappel die resistent is tegen de aardappelziekte. Agro-ecololoog Bert Lotz was een van de onderzoekers. Aardappelziekte wordt veroorzaakt door een schimmelachtig organisme, de Phytophthora, en zonder maatregelen kan de ziekte gehele oogsten totaal verwoesten. De Great Famine (De Grote Honger) in Ierland kostte tussen 1845 en 1852 een miljoen Ieren het leven. Volledig afhankelijk van aardappels voor hun voortbestaan verhongerden de Ieren. Oorzaak: aardappelziekte.

Tegenwoordig worden aardappels gemiddeld wel vijftien keer per groeiseizoen bespoten met bestrijdingsmiddelen tegen Phytophthora. Behalve de hoge kosten die dat met zich meebrengt, wordt Phytophthora ook in toenemende mate resistent tegen deze middelen, waardoor je nog meer moet spuiten.

Voor een land als Nederland anno nu is de schade vooral economisch. Maar behalve met gewasbeschermingsmiddelen spuiten zijn er ook andere oplossingen, vonden Lotz en collega’s. Wilde aardappels zijn soms van nature resistent. Ze leveren een geringe oogst met onsmakelijke aardappels. Maar het knippen van genen die de wilde aardappel resistent maakt tegen de schimmel, en deze in succesvolle aardappelrassen plakken… dat zou veel problemen oplossen.

Aardappelziekte
Oogst aangetast door aardappelziekte. Da’s niet lekker. En zonde. De oplossing van Wageningen, de DuRPh-aardappel, is een cisgene plant – de gemodificeerde genen komen uit andere aardappels.
WUR

Lotz werkte samen met moleculair biologen, plantenziekenkundigen en veredelaars tien jaar aan de Duurzaam Resistente aardappel tegen Phytophthora, en ze kregen het voor elkaar: de DuRPh-aardappel heeft van de ziekteverwekker niet te vrezen. Het knippen en plakken ging toen nog wat omslachtig met behulp van een bepaalde bacterie, maar met nieuwe technieken als CRISPR-Cas is zo’n klus steeds eenvoudiger. “Volgens klassieke veredelingsmechanismen zou je zo’n wilde aardappel moeten kruisen met de teeltaardappel. Maar dan kruis je ook weer allerlei ongewenste eigenschappen in je teeltaardappel”, zegt Lotz. “Met biotechnologie kun je dat veel preciezer en sneller doen.”

Wat het oplevert, zijn tot nog toe goed geteste prototypes van resistente aardappelrassen. Die liggen nog niet in de supermarkt, want de toelatingseisen om gentech-gewassen op de markt te brengen zijn in Europa erg duur en omslachtig, ook als deze via cisgenese– de variant van GMO waarbij het ingebouwde gen van dezelfde soort afkomstig is – tot stand gekomen zijn.

Loze beloftes

En dat moet zo blijven, vindt Herman van Bekkem van Greenpeace. Greenpeace is fel tegen GMO’s. Ze lossen niet de problemen op die ze beloven op te lossen, zo is te lezen in het rapport ‘20 years of failure’. “De belofte was dat GMO’s het wereldvoedselprobleem zou helpen oplossen. De realiteit is dat de GMO’s die nu op grote schaal verbouwd worden vooral genetisch resistent gemaakt zijn tegen onkruidbestrijdingsmiddelen, zodat je die effectiever kunt gebruiken. Maar zelfs dat lukt niet goed. We hebben gezien dat het onkruid na verloop van tijd resistent wordt tegen bestrijdingsmiddelen als glyfosaat. Je hebt dan een gewas dat door genetisch geknutsel resistent gemaakt is tegen een bestrijdingsmiddel, dat je vervolgens niet meer kunt gebruiken omdat het onkruid óók resistent is.”

Mask demonstration protest anger gmo anomim 874636 pxhere.com
Gemaskerde demonstranten maken hun ongenoegen kenbaar over gmo-zadengigant Monsanto.
CC0, via pxhere.com

De bezwaren van Van Bekkem zijn echter fundamenteler, ook als ze wél zouden bijdragen aan het voorkomen van honger of klimaatverandering. “Greenpeace is niet tegen innovatie. Je kunt met behulp van gentechnologie heel precies lokaliseren waar in het genoom het DNA zich bevindt dat codeert voor een bepaalde eigenschap, en of een bepaalde plant de goede code in haar genoom heeft. Met dat soort detectietechnieken – marker assisted selection heet dat – heb ik geen moeite. Maar het idee dat een stukje DNA maar één ding doet in een metabolisme, is erg gesimplificeerd. De stukjes DNA die je verhuist van een wilde aardappel naar een teeltaardappel om deze vervolgens resistent te maken tegen aardappelziekte, hebben in het metabolisme van die wilde aardappel meer functies. Je weet daardoor niet wat er nog meer verandert naast de eigenschap die je wilde veranderen.” GMO staat voor Greenpeace dus gelijk aan onvoorziene gevolgen. Uit voorzorg niet doen dus.

Lotz kent de argumenten. Op zijn werkkamer hangt een poster met alle argumenten – netjes gerangschikt naar ethisch, (milieu-)technisch, religieus, vanuit milieu-oogpunt, enzovoort – die je voor of tegen GMO’s kunt inbrengen. “Je weet bij nieuwe technologie nooit wat de gevolgen op lange termijn zijn. De technologie is immers nieuw. Bij heel veel nieuwe technologieën zie je dat mensen bezwaren maken. Soms zijn die terecht, soms niet. Als alleen het voorzorgprincipe leidend zou zijn, kom je niet meer aan innoveren toe. Dus wél innoveren, maar voorzichtig zijn. Daarom moet je bij elke nieuwe GMO bezien wat de risico’s kunnen zijn en al naar gelang daarvan vooraf risicoanalyses uitvoeren. Vervolgens ook na introductie nog een tijd blijven monitoren of er mogelijk toch nog schadelijke effecten optreden. Maar dit geldt dus in principe voor elke innovatie.”

Praktische of fundamentele bezwaren?

Dat je van het eten van GMO’s kanker zou krijgen, is achterhaald – al bleek dat lange tijd wel een effectieve manier te zijn om mensen bang te maken. Dat alle insecten in de buurt van een akker vol –genetisch gemodificeerd soja spontaan gezamenlijk dood neervallen, klopt ook niet. De groep wetenschappers die wel voorzichtig is, maar geen schadelijke gevolgen kan ontdekken bij de introductie of consumptie van GM–gewassen, groeit gestaag.

Lotz vindt dat in het maatschappelijk debat rond GMO’s er twee sets met ethische argumenten zijn. De ene set gaat over de weging van positieve en negatieve gevolgen. De andere set is fundamenteler. Lotz: “Als je zorg is dat we met biotechnologie de rol van de Schepper overnemen, of dat je ten diepste overtuigd bent van de intrinsieke waarde van een landbouwgewas, dus zoals die van zichzelf heeft, dan raakt biotechnologie je fundamenten.”

Keuzevrijheid

Volgens Lotz lopen deze twee ethische discussies in de wetenschapspolitieke arena dwars door elkaar, en bemoeilijkt dat het debat. Het heeft immers geen zin om het over eventuele negatieve gevolgen van de introductie van een GMO te hebben, als het bezwaar eigenlijk principieel is. Maar dat soort vermenging gebeurt herhaaldelijk.

Zelfs in dit artikel is dat zo: Van Bekkem vreest de gevolgen en stelt dat je uit voorzorg met je handen van planten-DNA af moet blijven. Het bezwaar van Greenpeace lijkt daarmee fundamenteler: ingrijpen in het DNA zou iets zijn waarvan je – volgens Greenpeace – per definitie niet de gevolgen kunt overzien. Het argument tégen is dan dus zowel praktisch (je weet nog niet zeker wat de gevolgen zijn, dus doe maar niet) als fundamenteel (we kunnen het metabolisme van planten nóóit volledig doorgronden, en als een plant zelf via zaadproductie een eigenschap niet doorgeeft, is het kennelijk niet de bedoeling).

In de politiek is de discussie rond biotechnologie al net zo ingewikkeld, vindt Irma Vijn van HollandBIO, de Nederlandse belangenbehartiger van biotechnologiebedrijven. “Er wordt vaak gewezen op risico’s, maar als je goed oplet, dan zijn de motieven religieus of vanuit levensovertuiging. Dat is ieders goed recht, maar het zou ook mijn goed recht moeten zijn om wél de vruchten van een gentechgewas te proeven. En dat is het niet, want Europa houdt de markt op slot voor dat soort gewassen.”

Collega Timen van Haaster vult aan: “Er is een appel ontwikkeld – de ‘arctic apple’ heet hij – die veel minder snel bruin wordt en beter blijft smaken dan een doorsnee appel. Ik zou hem graag willen eten, maar dat kan niet omdat hij hier niet verkocht mag worden. Als het je echt gaat om fundamenten, denk ik dat je de keuze voor jezelf moet maken, en niet voor de maatschappij als geheel.”

Natuurlijkheid

Ineke Malsch, auteur van het boek ‘Future Technologies We Want’, pleit er ook voor om met elkaar te discussiëren over de waarden die in het geding zijn. Niet per se met als doelstelling om het met elkaar eens te worden. “Waar het om gaat is om te begrijpen wat er binnen het waardenstelsel van de andere partij wèl kan en wat er niet kan. Als het gaat over biotechnologie, dan is ‘natuurlijkheid’ vaak een waarde die ter sprake komt. ‘Ja, maar heel veel geteelde gewassen die we nu eten zijn óók niet natuurlijk,’ zeggen biotechnologen dan. Daar hebben ze wel een punt: een rode grapefruit is gekweekt door een gewone grapefruit radioactief te bestralen. Die was er zonder die bestraling nooit gekomen. We vonden het resultaat van dat experiment een verrijking, dus verkoopt die vrucht nog steeds, maar dat terzijde. Waar het om gaat is dat je van elkaar moet willen begrijpen wat de ander onder ‘natuurlijkheid’ verstaat. Je kunt dan wellicht schuiven met je technologie, zodat die voor de ander acceptabel wordt.”

Want gradaties zijn er wel. Biotechnologie inzetten om te kijken welke genen precies verantwoordelijk zijn voor de eigenschap die je graag in je gewas wilt hebben, daar doen maar weinig mensen moeilijk over. De Wageningse onderzoekers besloten voor de DuRPh-aardappel genen van een wilde aardappel te gebruiken. Daardoor zullen meer mensen de pieper nog steeds als natuurlijk kunnen zien: als je maar hard genoeg je best doet en heel veel tijd hebt, kun je zo’n aardappel ook via klassieke veredeling krijgen.

Het is dan vervolgens aan de consument om te bepalen of die de kunde van de veredelaar vertrouwt en de aardappels op tafel zet. Dat vindt althans HollandBio bij monde van Irma Vijn: “Laat de consument dan kiezen”. Maar dat gaat er bij Herman van Bekkem van Greenpeace niet in, omdat het probleem dat Greenpeace heeft niets te maken heeft met een persoonlijk risico van degene die zo’n aardappel opeet, maar met het milieu waarin de aardappel wordt verbouwd. ‘Natuurlijk’ is het voor Van Bekkem pas, als de natuur het werk zelf heeft gedaan.

GMO-sticker

In de Verenigde Staten is het technologen inmiddels wel toegestaan om met CRISPR-Cas nieuwe gewassen te creëren, zolang er maar – net als in het DuRPh-project – soorteigen genen worden gebruikt.

Dat de VS de regels flink versoepeld hebben, maakt de discussie alleen maar ingewikkelder. Want omdat daar cisgenetische GMO’s geen andere tests moeten doorstaan dan die alle andere voedingsproducten krijgen voorgelegd, zijn telers ook niet meer verplicht aan te geven of een gewas genetisch aangepast is. Het is slechts een kwestie van tijd voor er – net als nu al massaal met diervoederingrediënten gebeurt – genetisch gemodificeerde voedingswaren van over de oceaan komen, waaraan je op geen enkele manier zult kunnen zien dát ze genetisch zijn aangepast: het zijn immers soorteigen genen die aan het DNA zijn toegevoegd. En het is onwaarschijnlijk dat er een grote sticker op komt te zitten met de tekst ‘GMO’ erop.

Irma Vijn: “De overheid moet nu in actie komen. Wat ons betreft moeten de regels een stuk soepeler, in elk geval voor moderne veredelingsmethoden waarbij alleen precieze aanpassingen worden gedaan in een plant met soorteigen genen.” Julia Rijssenbeek is dat met haar eens: “De belangrijkste rol ligt bij de politiek. We zouden als Nederland zelfs het voortouw kunnen nemen. Dan kun je de beloftes op het gebied van wereldvoedselvoorziening echt gaan waarmaken. Maar dan moet er wel iets veranderen. Europa lijkt nu verlamd, terwijl het niet meer tegen te houden is. Die trein met CRISPR-Cas dendert echt wel voort.”

Daarmee lijkt de bal nu bij de politiek te liggen. Of Europa blijft zich afkeren van GMO’s, al zal dat in de praktijk erg moeilijk te controleren zijn of import uit andere werelddelen genetisch is aangepast. Of de regels rond GMO’s worden aangepast. Maar hoe dan, en op basis van welke argumenten, daar zijn nog uiteenlopende ideeën over.

Wat vind jij het belangrijkst aan voedsel?

Ik vind dat voedsel…
Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink, en hoort bij de thema's Voedsel produceren en Duurzaamheid vergroten op Biotechnologie.nl.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden