Waarom ook genetisch gemodificeerde dieren het moeilijk gaan krijgen

De lijst GMO-dieren met een handige extra eigenschap wordt langer
Genetisch gemodificeerde bacteriën hebben we al veertig jaar, gewassen zijn al vijfentwintig jaar lang goed om op een verjaardagsfeestje een ‘gezellige’ discussie over op te zetten: in Europa vinden we het maar eng. En de laatste jaren zijn er steeds vaker genetisch gemodificeerde dieren in het nieuws. Echt applaus voor al dat geknutsel met de genen is er niet. Hoe komt dat?

Eind januari waren ze overal: twee aapjes, gekloond door Chinese wetenschappers van het Neuroscience Instituut in Shanghai. Klonen wil zeggen dat de aapjes niet via een versmelting van een zaadcel en een eicel tot stand zijn gekomen, maar in plaats daarvan is hun genetisch materiaal een letterlijke kopie van elkaar, geïmplanteerd in een eicel zonder kern. De aapjes zijn identiek.

Daar zijn ze dan: Zhongzhong en Huahua, de gekloonde aapjes uit China.

In de natuur bestaat er wel iets dat daarop lijkt: eeneiige tweelingen zijn ook identiek. Maar het aparte van klonen is dat er celmateriaal van een volwassen dier voor wordt gebruikt. Je kunt dus een kopie van een volwassen dier maken. De eerste keer dat dát lukte was in 1996 bij het schaap Dolly. Vorig jaar claimden Chinezen dat ze op bestelling een kloon konden maken van je liefste viervoeter. En nu zijn er de aapjes.

Genetische gemanipuleerde organismen

Hoe science fiction het kopiëren van levende wezens ook klinkt, de wetenschap steekt meer energie in het creëren van dieren met een handige extra eigenschap. Vorig jaar gaf de Amerikaanse voedsel- en warenautoriteit toestemming om snelgroeizalm op de markt te brengen: een genetisch aangepaste zalm die twee keer zo snel groot wordt, en dus ook twee keer zo snel op je bord belandt. De lijst met dieren op bestelling is lang: koeien zonder hoorns, kippen die eieren leggen voor mensen met eierallergie, varkens die genetisch bestand zijn tegen virusinfecties die miljarden per jaar kosten, dieren die eiwitten produceren waar medicijnen van worden gemaakt…

Zalm die twee keer zo snel groeit, koeien zonder hoorns, kippen die hypo-allergene eieren leggen en malariamuggen die geen malaria meer verspreiden… De voordelen lijken voor zich te spreken, maar toch zijn we nog erg terughoudend. Met welk doel mag je sleutelen aan het DNA van dieren?

Maar de gemiddelde Nederlander is ambivalent als het gaat om genetisch gemanipuleerde organismen. Bij bacteriën vinden de meeste mensen het wel prima, maar bij aaibare dieren rijzen er bezwaren. Mensen vinden dat een dier niet voor niets eruitziet zoals het eruitziet. En het idee dat je die ‘verknutselde’ dieren nog op moet eten ook, doet menigeen zichzelf afvragen of dat wel goed voor de gezondheid is.

Eurekalertkoe
De hoornloze koe is een goed voorbeeld van genetisch knippen en plakken aan dieren. Melkvee heeft van nature hoorns, maar vorig jaar slaagden onderzoekers erin de hoorns er genetisch af te halen. De kranten namen de claim gretig over dat dit een hoop leed voorkwam. Koeien zouden elkaar verwonden, het afbranden van hoorns bij kalfjes was natuurlijk wreed en jaarlijks zouden 75 mensen omkomen omdat ze op de hoorns genomen waren. De Volkskrant opende een artikel over de genetisch gemodificeerde dieren met: ‘Het kalf is bang, dat zie je meteen. Opeens zijn er overal mannenhanden, die haar kop ruw tegen het hekwerk van haar stal duwen. En dan is er dat apparaat. Een soort soldeerbout. Een van de handen duwt het tegen de bovenkant van haar kop. Het kalf rolt met haar ogen. Gesis, geloei, stank.’ Swierstra: “Je kunt bijna niet met fatsoen vinden dat zoiets OK is, dus als een nieuwe techniek zulk dierenleed voorkomt, dan sta je sterk in het ‘gezeefde’ debat; volgens het geen-schade-beginsel althans. Maar wat hier mist, is bezinning over alternatieven. Als je die dieren in de stal wat meer ruimte geeft of zorgt dat ze minder stress hebben, verwonden ze elkaar misschien niet meer en hoef je ze niet te modificeren.”

Glyfosaat

Je kunt het testen door te kijken wat er gebeurt met de superzalm. Maar even achteromkijkend… Met genetisch gemodificeerde planten ging het tussen 1990 en 2000 ongeveer zo: biotechnologen ontwikkelden planten met handige extra eigenschappen. Een maisplant die bestand is tegen het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat (ook bekend als Roundup), bijvoorbeeld. De belofte was dat boeren daardoor alleen nog maar Roundup hoefden te gebruiken en geen andere, schadelijkere bestrijdingsmiddelen. Roundupmais was dus – volgens die gedachte – goed voor productie, en goed voor het milieu. Terwijl elders in de wereld de discussie over gentechgewassen druk woedde, moest men in Europa er echter overwegend niets van hebben.

Tot op de dag van vandaag zijn voor- en tegenstanders van biotechnologie tot op het bot verdeeld over risico’s voor omgeving en gezondheid. Als je je erin verdiept, stuit je op wetenschappelijke studies die beweren dat gentechgewassen kankerverwekkend zijn, maar vind je ook wetenschappelijke studies die laten zien dat er nog nooit schadelijke gevolgen overtuigend zijn aangetoond.

Omgaan met weerstand

“Het probleem is niet dat dit bijzondere nieuwe technologieën zijn; weerstand treedt op bij veel nieuwe technologieën. Toen de eerste stoomtrein tussen Amsterdam en Haarlem reed, was ook iedereen in rep en roer omdat men vreesde dat de koeien geen melk meer zouden geven door dat ‘monster’. Het probleem zit ’m in de manier waarop wetenschappers en beleidsmakers omgaan met weerstand”, aldus professor Tsjalling Swierstra van de Maastricht University. Swierstra doet onderzoek naar de ethiek en politiek van nieuwe en opkomende technieken.

Nieuwe technologie heeft als kenmerk dat het nog niet duidelijk is wat het brengen zal, en resultaten uit het verleden manen tot voorzichtigheid. Dynamiet is gebruikt om infrastructuur mee aan te leggen, maar ook om oorlogen mee te beslechten. De fabrieksarbeider uit de tweede helft van de negentiende eeuw had als gevolg van de industrialisering een lagere levensverwachting dan een boer uit de middeleeuwen. Het is op voorhand nooit helemaal – en soms helemáál niet – te voorspellen hoe een technologie door de samenleving gebruikt gaat worden. Een goed voorbeeld zijn mobiele telefoons: die werden aanvankelijk gezien als een snobistisch speeltje, maar anno 2018 breekt de overheid zich het hoofd over de vraag hoe we mensen achter het stuur kunnen verleiden om de mobiel even uít te zetten.

Nieuwe technologie stuit vrij vaak op weerstand, ook al kunnen we ons dat later niet meer voorstellen.

Dient een nieuwe technologie zich aan die maar genoeg verandering teweeg lijkt te brengen, dan ontstaat vanzelf de behoefte aan maatschappelijk debat. Soms beginnen wetenschappers er zelf over, zoals bij kiembaanmodificatie, soms zijn er belangenorganisaties die erop wijzen dat meer mensen zich voor die nieuwe technologie zouden moeten interesseren, met als doel een discussie op te starten over de zin en onzin van zo’n technologie.

Als iemand over God begint, gaat er meteen een toeter. En als je over natuurlijkheid begint, ben je ook af.

“En met zo’n debat gaat het vaak mis. Technische mensen en beleidsmakers maken dan vaak een onderscheid tussen rationele argumenten en emoties. Rationele argumenten gaan bijvoorbeeld over risico’s voor de gezondheid of het milieu. Maar met emoties kunnen technische mensen niet zoveel, dus die negeren ze. ‘Ja, maar dit is alleen maar de normale angst voor nieuwe technieken’, zeggen ze dan; ‘daar kunnen en hoeven we niks mee.’ Ook als iemand over God begint, gaat er meteen een toeter. En als je over natuurlijkheid begint – ‘Genetisch gepruts aan organismen is tegennatuurlijk’, is dan de gedachte – ben je ook af.”

Technologen vinden dat soort argumenten volgens Swierstra grote onzin. Ze voeren een overweldigend aantal voorbeelden aan waarin de onnatuurlijkheid van ons huidige, niet genetisch gemodificeerde voedsel wordt onderstreept. Alle boerderijdieren en gewassen die ons nu van voedsel voorzien, zijn honderden of duizenden jaren lang gefokt en geteeld op maximale opbrengst. Een wilde variant van willekeurig welk van die voedselbronnen lijkt alleen in de verte op wat op ons bord ligt. En toch voelen die gefokte en geteelde dieren en planten voor ons wel ‘natuurlijk’ aan, terwijl een koe die melk geeft waar een medicijn in zit als ‘onnatuurlijk’ wordt bestempeld. Het bezwaar van ‘onnatuurlijkheid’ wordt daarom snel weggezet als ofwel dom, ofwel leugenachtig.

En in sommige gevallen is zo’n beroep op onnatuurlijkheid ook niet altijd even zuiver geweest. De snelgroeizalm werd bijvoorbeeld door een Amerikaanse senator bestempeld als ‘Frankenfish’, waarmee de toon gezet was. Maar niet toevallig was het een senator van Alaska , die vooral een lans brak voor de in haar staat gevangen ‘wild, healthy, sustainbly-caught, delicious real thing’ en er alle belang bij had dat de snelgroeizalm maar een klein marktaandeel zou veroveren.

Weten wat er op je bord ligt

Senator Lisa Murkowski hield haar pleidooi tegen de gentechzalm voor het indienen van een wetsvoorstel dat verkopers van zalm verplicht om aan te geven of de zalm genetisch gemanipuleerd is of niet. Daarmee stipt ze een apart probleem aan rond genetisch gemodificeerd voedsel: kun je zelf kiezen of je genetisch gemanipuleerd voedsel wilt eten of niet? Door het vermelden ervan te verplichten, zou dat een stuk makkelijker worden. Tenminste… als het bekend zou zijn bij de verkopers. Maar niet alleen gaat die informatie ergens tussen producent en consument verloren, Nederlandse consumenten verwachten ook helemaal niet dat hun eten genetisch gemodificeerd is. Niemand zou erop letten, zo stelt de Cogem op basis van een publieksonderzoek. Neem bijvoorbeeld soja. Dat zit in heel veel diervoeders. Het merendeel van alle verbouwde soja is genetisch gemodificeerd. Wie liever geen genetisch gemodificeerd materiaal binnen wil krijgen, laat zijn biefstuk en karbonade voortaan beter staan. En vleesvervangers? Die zijn vaak gemaakt van… soja.

Swierstra vindt dat niet-rationele argumenten te snel buiten de orde worden verklaard: “Ik vergelijk de manier waarop een technologie onderwerp van debat wordt vaak met een hele serie zeven: uit de argumenten wordt weggezeefd wat niet goed past in de technocratische manier van denken.” Hij zou liever zien dat ook emotionele geluiden serieus worden genomen. Misschien, zo stelt hij, gaat onder het verlangen naar ‘natuurlijkheid’ wel de wens naar begrijpelijk eten schuil, of naar lokaal geproduceerd eten, of een protest tegen de consumptiecultuur waarin alles maar moet glimmen en glanzen. Wel, vindt Swierstra, betekent ‘serieus nemen’ ook dat dit soort argumenten net zo kritisch moet worden bevraagd als de wetenschapstechnologische standpunten die vaak vanuit de ratio geclaimd worden.

Doordat ze worden uitgesloten in de discussie, haakt een deel van de belangenorganisaties en bevolking af. Die zijn vanaf dan ‘mordicus tegen’, want die voelen zich niet gehoord. Wat doorgaans in de publieke discussie overblijft zijn volgens Swierstra twee ethische principes die het niet alleen rationeel goed doen, maar ook becijferbaar zijn. Het ene is dat de nieuwe technologie geen schade mag toebrengen (of grote schade kan verhelpen of voorkomen), de andere is die van de ‘verdelende rechtvaardigheid’: de kosten en baten van de technologie moeten eerlijk worden verdeeld over de gehele mensheid.

Mensen klonen

Een technologie die leed vermindert en waar iedereen voordeel bij heeft, heeft sterke argumenten als er een (maatschappelijke) discussie ontstaat over die technologie. “Wetenschappers en ingenieurs weten dat ook. Dus beloven ze vaak dat hun onderzoek grote problemen oplost. Bij wetenschappers verbloemt dat nogal eens dat ze vooral graag de eerste willen zijn die het voor elkaar krijgt – want dat is goed voor hun carrière – of dat ze gewoon nieuwsgierig zijn naar hoe iets werkt.”

De gekloonde aapjes passen in een reeks Chinese ‘doorbraken’ waarbij de wetenschappers ‘de eerste willen zijn’. De claims die worden aangevoerd, zijn: ‘straks zijn er geen proefdieren meer nodig’ (deze innovatie voorkomt groot dierenleed) en ‘deze innovatie lost het tekort aan donororganen op’ (straks kunnen we mensen klonen). Het zijn claims waar je op zich moeilijk tegen kunt zijn, maar waar je wel vraagtekens bij de juistheid en haalbaarheid kunt zetten: zijn gekloonde aapjes ineens geen proefdieren meer? Is mensen klonen alleen al ethisch gezien niet honderd stappen verder dan apen klonen?

Waar is het goed voor?

Swierstra: “Vaak zie je bij een nieuwe technologie wat ik de ‘killer app’ noem: de ultieme toepassing waarmee iedereen over de streep getrokken moet worden. Bij gentech-gewassen was het de zogenoemde ‘golden rice’, de extra voedzame rijst die de honger uit de wereld zou helpen. Bij gene drive is het dat malaria voorgoed zal verdwijnen. En bij de gekloonde aapjes gaat het om het tekort aan donororganen. Maar vaak zie je dat die belofte onderaan de streep niet wordt ingelost. Er is geen golden rice, en malaria zou volgens een eerdere belofte ook al door DDT uit de wereld geholpen worden, wat uiteraard niet is gebeurd.”

Luisteren naar de samenleving betekent helemaal niet dat de wetenschap zich moet insnoeren.

Wat door dit soort grote beloftes bovendien raakt ondergesneeuwd, is nadenken over alternatieven (zie kader). Als dan iets overblijft waar vooral veel economische winst mee te behalen valt maar wat geen prangend probleem oplost of waar goede alternatieven voorhanden zijn, krijgen de geluiden uit de ‘mordicus tegen’-groep de overhand, of ze nu terecht zijn of niet. En dat is precies wat er het afgelopen jaar gebeurde met de snelgroeizalm: anti-GMO-groeperingen vroegen zich openlijk af waar de zalm goed voor was en wisten de vis middels lobby uit de schappen van verschillende grote supermarktketens te houden.

Zolang de maatschappelijke discussie over genetisch gemodificeerde dieren zo uit evenwicht blijft, krijgen genetisch gemodificeerde dieren het moeilijk. Swierstra vindt dat wetenschappers en technologen niet alleen oplossingen voor grote problemen moeten beloven, maar ook de verantwoordelijkheid moeten nemen om bij te dragen aan oplossingen voor de maatschappelijke problemen die hun creaties met zich meebrengen.

Swierstra: “(wetenschapsfilosoof) Jerry Ravetz zei er in 1975 al het volgende over: ‘Science takes credit for penicillin, while society takes the blame for the bomb.’ En dat geldt nog steeds. Luisteren naar de samenleving betekent helemaal niet dat de wetenschap zich moet insnoeren. Soms dwingt een bezwaar uit de samenleving wetenschappers eenvoudig tot meer creativiteit. Voor stamcelonderzoek waren aanvankelijk menselijke embryo’s nodig, en dat vonden, en vinden, we ontoelaatbaar. Maar juist omdat dit ethische verbod bestond, ontwikkelde Shinya Yamanaka in Japan een methode om stamcellen te kweken uit volwassen huidcellen.”

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink, en hoort bij het thema Voedsel produceren op Biotechnologie.nl.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden